Terug naar overzicht

door Johan Braeckman 07-07-2020

Ida Dequeecker (Furia) verdedigt in een opiniestuk in De Standaard (29/6/2020) het recht van meisjes en vrouwen om al dan niet een hoofddoek te dragen, ‘altijd en overal’, en dit vanuit de ‘feministische basisprincipes van zelfbeschikking, gelijkheid en solidariteit’. Ik deel die principes, maar kom net daardoor tot geheel andere standpunten over de hoofddoek en andere levensbeschouwelijke of ideologische kentekens.

Laat ik beginnen met dat ‘altijd en overal’, wellicht de meest extreme bewering van Dequeecker. Dat betekent dat bijvoorbeeld ook een rechter een hoofddoek mag dragen. Gelukkig is zoiets momenteel wettelijk verboden, maar laat ons er even van uitgaan dat Dequeecker haar zin krijgt en dat het verbod verdwijnt. Het lijkt me onvermijdelijk dat dit er geregeld toe zal leiden dat men de rechter van partijdigheid verdenkt. Het feit dat ze niet bereid is om zichzelf als levensbeschouwelijk neutraal in de rechtszaal te vertonen, is evident problematisch in een democratische rechtsstaat. Als ze een uitspraak doet in het voordeel van iemand die moslim is, ten nadele van iemand die joods is, hoe kan ze dan het vermoeden van vooringenomenheid of van favoritisme vermijden? Ook als haar uitspraak rechtvaardig is, zullen sommige betrokkenen niet langer geloven dat vrouwe Justitia blind is. Ze moet volstrekt onbevooroordeeld staan tegenover het uiterlijk van diegenen waarover ze recht spreekt, maar het is even zinvol dat ze haar persoonlijke levensbeschouwelijke, politieke en ideologische opinies blindeert. Ik wil als vrijzinnig humanist liever niet voor een rechter staan met een kruis rond zijn hals. De rechter mag zo conservatief-katholiek zijn als hij maar wil, maar even niet in de rechtbank. Een rechter moet net in staat zijn om aan te geven dat de democratische rechtsregels in specifieke situaties van groter belang zijn dan de regels waarvan hij of zij denkt dat ze een bovennatuurlijke oorsprong hebben. Ook als een rechter niet in God gelooft, maar pakweg een kledingstuk of sieraad draagt omwille van zijn of haar ‘identiteit’, is het argument zinnig. Bij uitstek in een rechtbank betuigt men respect voor de wetten die democratisch tot stand kwamen. Met wetten die enkel relevant zijn voor een subgroep, om het even dewelke, heb ik als buitenstaander niks te maken. Dus liefst ook geen rechter die mij visueel en onmiskenbaar duidelijk maakt Vlaams-nationalist te zijn, militant atheïst, of lid van Pro Familia, ook al kunnen dat belangrijke aspecten zijn van de identiteit van de rechter.

Dat we van een rechter verwachten dat ze haar hoofddoek niet draagt tijdens een zitting, betekent niet dat we haar vragen om haar geloof of haar identiteit op te geven. Dat kan ook onmogelijk een dergelijk effect hebben. We willen wel dat ze aangeeft neutraal en onpartijdig te zijn, of daar in elk geval zoveel mogelijk naar te streven, in haar rechtbank. Dat is in eenieders belang.

_Godsdienstvrijheid en hokjesdenken

Ida Dequeecker geeft aan dat een verbod op het dragen van een hoofddoek in scholen (of om het even waar, en wanneer) in strijd zou zijn met de godsdienstvrijheid. Ook dat argument is niet geldig. Net zoals wat de rechter betreft, vraagt een verbod op levensbeschouwelijke tekens geenszins de opgave van een geloof. Evenmin houdt het een ontkenning van iemands identiteit in. Men vraagt enkel dat leerlingen aangeven dat ze in staat zijn om elkaar tegemoet te treden zonder dat men zich a priori en uitdrukkelijk differentieert van de anderen. Een opvallend religieus kenteken mag dan wel een expressie van de identiteit zijn, maar het signaleert evenzeer de verschillen, het anders-zijn. Helpt dat de gelijkheid? Dequeecker klaagt aan dat een verbod op levensbeschouwelijke tekens vooral gericht is op de hoofddoek. Dat is in zekere zin waar, maar niet omdat er specifiek een aversie bestaat tegenover de hoofddoek. De discussie gaat in wezen niet over het al dan niet toelaten van een hoofddoek (of nikab en dergelijke), maar over om het even welk levensbeschouwelijk kenteken. (Dit is door anderen reeds ontelbare keren opgemerkt, maar het lijkt maar niet door te dringen, zoals ook nog bleek uit de betoging van zondag 5 juli in Brussel. De betogers hadden het uitsluitend over de hoofddoek, terwijl het arrest van vier juni 2020 van het Grondwettelijk Hof dat de aanleiding vormt van de onvrede, over religieuze kentekens in het algemeen gaat).

Natuurlijk is de situatie momenteel zo dat er nauwelijks leerlingen zijn die nadrukkelijk willen duidelijk maken katholiek, mormoon, humanist, hindoe of wat dan ook te zijn. Blijkbaar vinden die dat geen aanslag op hun ‘godsdienstvrijheid’, noch doet het afbreuk aan hun ‘identiteit’. Dat lijkt me vrij logisch. Ik kan me voorstellen dat iemand die homo is, dat als een belangrijk aspect ziet van zijn identiteit. Wil dat zeggen dat hij daarom voortdurend, altijd en overal, een regenboogvlag rond zichzelf moet draperen? Is het een aantasting van zijn recht op vrije expressie als hij dat op school niet mag doen? Natuurlijk niet. De godsdienstvrijheid behoeft overigens in principe geen aparte juridische behandeling. Ze is sowieso gewaarborgd door de vrijheid van meningsuiting en andere mensenrechten. Het is blijkbaar nog altijd van belang om erop te wijzen dat godsdienstvrijheid echt niet betekent dat men ‘altijd en overal’ moet mogen en kunnen duidelijk maken welke godsdienst of levensbeschouwing men aanhangt. Evenmin moet men altijd en overal allerlei andere opinies kunnen duidelijk maken. Misschien behoort nudisme tot mijn identiteit, maar het verbod op naaktlopen in de Gentse Veldstraat zie ik niet meteen als een inbreuk op mijn recht op vrije meningsuiting.

Een leerling, anders dan bijvoorbeeld een rechter, hoeft zich uiteraard niet neutraal op te stellen omwille van zijn of haar job. Maar waarom zou het fout zijn om te vermijden dat er groepsdifferentiatie optreedt door religieuze of ‘identitaire’ kledij? Het hokjesdenken zit sterk ingebakken in de menselijke psychologie. Ida Dequeecker denkt dat moslima’s geviseerd worden, maar ze zwijgt over de nefaste gevolgen van jongeren die vastzitten in een ideologische fuik. Naarmate ze uitdrukkelijker te kennen geven welke religie ze aanhangen, wordt het moeilijker om er later weer afstand van te nemen. Godsdienstvrijheid, voor zover dat woord iets betekent, houdt ook de mogelijkheid in om afvallig te zijn. Dequeecker pleit ervoor om meer te luisteren naar moslima’s zelf. Niks op tegen. Maar ze vergeet de groep die het meest kwetsbaar is en het grootste risico loopt op discriminatie en op aantasting van de godsdienstvrijheid, namelijk diegenen die het geloof achter zich willen laten, of minder strikt willen zijn in de leer. De overtuigde moslima’s worden echt niet in hun grondrechten aangetast als ze tijdens de schooluren hun hoofddoek niet dragen. (Voor de duidelijkheid: dat staat los van mogelijke reële vormen van discriminatie, bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt.) Wat er feministisch is aan het inwilligen van de eis om ‘overal en altijd’ te kennen te geven dat men gelovig is, ontgaat me. Integendeel, het is net beknottend voor de mogelijkheid om zelfstandig en vrij te denken en een leven te ontplooien op basis van zelfgekozen principes en waarden. Zou Dequeecker ook meegaan in de vraag om een boerka te dragen, ‘altijd en overal’?

Het zijn diegenen die afstand willen nemen van de religie die hen is opgedrongen, die meer steun verdienen. Véél meer steun. Er zijn veel schrijnende getuigenissen van ‘afvallige’ moslims, of van diegenen die doen alsof ze nog steeds gelovig zijn, maar in werkelijkheid twijfelen, of in hun hoofd reeds het geloof achter zich lieten. Die mensen hebben het vaak buitengewoon moeilijk. Ze hebben schrik om voor hun overtuiging uit te komen; ze riskeren een hoge prijs te betalen voor hun emancipatie. Het verbod op het dragen van een hoofddoek in specifieke omstandigheden, is voor hen net een zegen. Het geeft hen de mogelijkheid om zichzelf te zijn, zonder dat ze ervoor aangepakt kunnen worden. (Betogen kunnen ze niet, wegens veel te gevaarlijk.) Dequeecker beweert dat het argument dat er sociale druk bestaat om een hoofddoek te dragen, ‘de ultieme dooddoener’ is. Zou het? Ze geeft geen enkel argument voor haar bewering. Heeft ze gesproken met meisjes die geen hoofddoek willen dragen, maar er niet aan onderuit kunnen, op straffe van sociale uitsluiting? Het argument van sociale druk negeren komt erop neer dat we diegenen die echt onze hulp nodig hebben in de kou laten staan. Dequeecker denkt blijkbaar dat het opeisen van het ‘recht’ om een hoofddoek te dragen een vorm van emancipatie is. Als dat zo is, dan is het toch een vreemd soort emancipatie; die minstens ten dele een vrijwillige (?) onderwerping inhoudt aan een patriarchaal en conservatief denken. De weigering daarentegen om een hoofddoek te dragen, door iemand binnen de moslimgemeenschap, is een uitstekend voorbeeld van een authentieke vorm van emancipatie. Net die mensen moeten centraal staan in dit debat.

_Islamofoob?

Ida Dequeecker noemt een verbod op de hoofddoek – nogmaals: in werkelijkheid een verbod op alle levensbeschouwelijke kentekens – ‘islamofoob’. Het is een bedenkelijk begrip, dat men te pas en onpas gebruikt om eisen te stellen die grondrechten aantasten. Zogenaamde islamofobie keert de zaken om: het meisje met de minirok wordt zelf schuldig aan haar aanranding; de cartoonist heeft het zelf gezocht. Geloofsovertuigingen, net zoals ideologieën, politieke overtuigingen en wetenschappelijke theorieën, mogen en moeten vrij bekritiseerd worden. Het kan dat iemand een ‘fobische angst’ heeft voor pakweg de islam. En dan? Misschien zijn daar goede argumenten voor, bijvoorbeeld wanneer je een koptische christen bent in Egypte. Maar misschien ook niet, bijvoorbeeld wanneer je pakweg in Horebeke woont. Laat ons ernaar luisteren, erover discussiëren, ze wikken en wegen. Misschien zit er wat in, en leren we bij. Misschien slaan ze nergens op, en dan maken we dat duidelijk. Het begrip ‘islamofobie’ is een vorm van newspeak, om elke kritiek, zowel de zinnige als onzinnige, op de islam te vermijden. In tientallen landen legitimeert het geweld en aanslagen op kritische stemmen. Tal van moslims vinden wetenschappelijk onderzoek naar pakweg het ontstaan van de koran ‘islamofoob’.

Een ander nefast aspect ervan is dat het de individuele moslim en moslima reduceert tot de islam. Alsof de kern van hun persoon en hun identiteit wordt bepaald door de religieuze denkbeelden waarmee ze zijn opgegroeid. Opnieuw is dit extra nadelig voor de twijfelaars en afvalligen. Het versterkt en bestendigt net het probleem dat ik aankaart. Hoe moet iemand die blij is dat ze haar hoofddoek niet hoeft te dragen, omgaan met het verwijt dat ze het ‘slachtoffer’ zou zijn van ‘islamofobie’?

Het is niet eenvoudig om een religieus geloof te onderscheiden van bijgeloof. Meerdere jonge moslims en moslima’s verwerpen de evolutietheorie, geloven in djinns en in mirakels, betwisten kernepisodes in de geschiedenis en denken dat er een boek bestaat dat een goddelijke oorsprong kent en alle kennis bevat die een mens nodig heeft. Laten we wel wezen: jonge gelovigen komen tot dit soort opvattingen omdat het hen van kinds af is aangeleerd. Ze worden niet als moslim geboren; men dringt hen de leer op. (Zoals dat ook gaat met meerdere andere levensbeschouwingen en ideologieën.) Het dogmatisch aanvaarden ervan, is een belangrijk aspect om tot de groep te behoren. Wie kritisch leert denken en twijfel vertoont, ervaart vrijwel zeker felle tegenstand. Andermaal: is het feministisch om dit alles te steunen? Helpt dat het zelfbeschikkingsrecht? Is dat waarover het gaat, als we over gelijkheid en solidariteit spreken? Dat de positie van vrouwen in landen die overwegend islamitisch zijn niet bepaald rooskleurig is, kan men moeilijk betwisten. Talloze vrouwen – feministen – vechten in die landen voor het recht om de hoofddoek niet te moeten dragen. Men kan beweren dat geen enkele leerling in België verplicht wordt om een hoofddoek, of om het even welk religieus kenteken, te dragen. Wettelijk is dat uiteraard juist. Maar men gaat dan volkomen voorbij aan de regels die een gemeenschap aan haar ‘leden’ tracht op te leggen.

Het blijft van belang om het inzicht van Henri Lacordaire te citeren: ‘Entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le maître et le serviteur, c’est la liberté qui opprime et la loi qui affranchit.’

Ik praatte en discussieerde de voorbije vijftien jaar met honderden jonge moslims en moslima’s over Darwin en de evolutietheorie. Velen onder hen, wellicht de meerderheid, geven aan evolutie niet te aanvaarden. Ze zeggen dan letterlijk: ‘Dat mag niet van Allah.’ Of: ‘Ik ben niet van een aap afkomstig.’ Ben ik ‘islamofoob’ als ik daartegen inga? Tast de verplichting om over evolutie te leren en er examen over af te leggen, hun godsdienstvrijheid aan? Is het een vorm van zelfbeschikking als jonge gelovigen wetenschappelijke inzichten verwerpen? Moeten we daar solidair mee zijn? Natuurlijk niet. Dat zou sterk in hun nadeel zijn. Er waren ook leerlingen die me te kennen gaven evolutie te aanvaarden, omdat ze begrepen dat de wetenschappelijke argumenten ervoor beter zijn dan de religieuze tegenargumenten. Maar ze durfden dat niet luidop te zeggen, omwille van die zogenaamde ‘dooddoener’, sociale druk. Overigens hoorde ik ook geregeld getuigenissen van meisjes die hun hoofddoek niet langer wensen te dragen, maar dat uit angst voor represailles niet durven te doen. Sommige kwamen zelfs zodanig in de problemen dat ze op eigen beweging naar de politie stapten om hulp te vragen of een klacht in te dienen. Ik vermoed dat ze daar liever niet geholpen worden door een agente die per se een hoofddoek wilt dragen tijdens haar job. Het argument dat een rechter zich bij voorkeur neutraal opstelt, geldt evengoed voor politiebeambten en voor andere mensen die een job bij de overheid uitoefenen die regelmatig contact met burgers met zich meebrengt.

Kennismaken?

Klik op de knop voor meer inlichtingen of een kennismaking!

Neem contact op!